|
DE GROTE VERZOENDAG
In het Hebreeuws betekent dit concept
de dag van het ‘bedekken’ of de ‘harmonie’. De belangrijkste
dag voor de Joden was de Grote Verzoendag op de tiende dag van de
zevende maand (Leviticus 23:27,25:9). We kunnen in Leviticus 16
zien dat zelfs de Hogepriester niet de Meest Heilige Plaats binnenkon,
zonder bepaalde rituelen.
De Meest Heilige Plaats zelf had, net
als de mensen van Israël, verzoening nodig: dus moest de hogepriester
een offer aanbieden om de zonden door het opleggen van handen aan
het hoofd van de offerande door te geven. De kinderen van Israël
dachten na over de heiligheid van God en hun zonden op de Grote
Verzoendag.
Toendertijd werden er 15 offers (inclusief
de zondebok), 12 brandoffers en 3 verzoeningsoffers aan God aangeboden
(Leviticus 16:5-29, Numeri 29:7-11). Als we ‘het andere lam’
dat in Numeri 28:8 genoemd wordt, ook meetellen, waren er 13 brandoffers
en 4 verzoeningsoffers.
Israël verzoende de jaarlijkse
zonden op de tiende dag van de zevende maand. Op dezelfde wijze
was de Grote Verzoendag voor de hele wereld de dag dat Jezus door
Johannes de Doper gedoopt werd. Het was de Grote Verzoendag (Mattheus
3:13-17). Het was de dag dat God alle zonden van de wereld wegwaste
(Mattheus 3:15). Het was de Grote Verzoendag op welke God “aldus.....alle
gerechtigheid vervulde.”
Terug naar lijst
|